Diagnostische toets les D-5: Cryptografie

Klik bij meerkeuzevragen op het correcte antwoord, vul bij open vragen het antwoord in.
Als het fout is probeer je het opnieuw!
betekent fout
betekent goed
Heb je het antwoord bij de eerste poging goed dan krijg je 10 punten, bij de tweede poging 1 punt en bij de derde poging 0.5 punt.
tr>

 1. De leer van het geheimschrift heet ook wel:
a) cryptografie
b) cryptoanalyse
c) cryptologie
d) steganografie

 2. Wat is geen voorbeeld van mono-alfabetische versleuteling?
a) scytale
b) Caesarmethode
c) symbolentaal van Chaucer
d) cijferwiel van Alberti

 3. Bewering I:
Vigenèrecodering is een voorbeeld van poly-alfabetische versleuteling.

Bewering II:
Het omkeren van een boodschap is een voorbeeld van substitutie versleuteling.

Welke van de bovenstaande beweringen is juist?
a) Bewering I is juist en bewering II niet.
b) Bewering I is niet juist en bewering II wel.
c) Bewering I en II zijn beide juist.
d) Bewering I en II zijn beide onjuist.

 4. De alfabetcodering van Bacon met vetgedrukte en niet-vetgedrukte letters is een voorbeeld van:
a) cryptografie
b) cryptoanalyse
c) cryptologie
d) steganografie

 5.
Hierboven zie je een afbeelding van een boodschap die volgens de Vernam codering met een XOR functie wordt gecodeerd. Wat is de juiste gecodeerde boodschap?
a) 1 0 0 0 1 0 0 0
b) 1 1 0 0 1 1 0 0
c) 0 0 1 1 0 0 1 1
d) 0 1 1 1 0 1 1 1

 6. Welke van de volgende eigenschappen van de Enigma zorgde ervoor dat de code theoretisch niet te kraken was?
a) Elke dag werd een andere instelling van de rotoren gebruikt.
b) De tweede en derde rotor draaiden na iedere omwenteling één stap verder.
c) Aan de derde rotor waren 26 contactpunten bevestigd waarover het uitgangssignaal kon worden verstuurd.
d) Alle bovenstaande antwoorden zijn juist.

 7. Bewering I:
Bij DES is sprake van symmetrische transpositie encryptie.

Bewering II:
IDEA, DES3 en AES hebben een sleutel van 128 bit of groter..

Welke van de bovenstaande beweringen is juist?
a) Bewering I is juist en bewering II niet.
b) Bewering I is niet juist en bewering II wel.
c) Bewering I en II zijn beide juist.
d) Bewering I en II zijn beide onjuist.

 8. Bewering I:
Bij public key encryptie stelt de zender een publieke codeersleutel beschikbaar en de ontvanger beschikt over de daarbij behorende geheime decodeersleutel.

Bewering II:
Bij RSA is sprake van asymmetrische transpositie encryptie.

Welke van de bovenstaande beweringen is juist?
a) Bewering I is juist en bewering II niet.
b) Bewering I is niet juist en bewering II wel.
c) Bewering I en II zijn beide juist.
d) Bewering I en II zijn beide onjuist.

 9. 3 ^ 4 (mod 12) = .... (N.B. het dakje staat voor "tot de macht")
a) 3.
b) 6.
c) 9.
d) 12.

 10. Welk protocol wordt voor het versleutelen van e-mail gebruikt?
a) SSL.
b) TLS.
c) DES.
d) PGP.



 
© D.P. Lans